
ActueelDe Avondetappe
Gast bij Mart Smeets in de Avondetappe op 16 juli.
Klik op de afbeelding om de uitzending terug te...
Bekijk het hele nieuwsbericht
Team Manager Team Holland
Theo de Rooij Team Manager schaats achtervolgingsploegen
Bekijk het hele nieuwsbericht
TheologicaTHEOLOGICA 19.09.2011
Verzamelde columns
Site Robert Gesink 19.09.2011
Breuken en bloemen
Aan het begin van het jaar maakte ik met Robert de afspraak dat ik ongeveer elke maand een column zou schrijven voor de site. Daar is ondertussen de klad in gekomen, mijn laatste column dateert van half juni. In drie maanden kan er veel gebeuren in een fietsleven. Robert en ik ondervinden dat maandelijks ‘aan den lijve’. Een bloemlezing.
Op 2 juli, de eerste dag van de Tour, ging ik tijdens een zeer ontspannen fietstochtje op zeer lullige wijze onderuit. Zoals je van een keukentrapje valt. Resultaat: vier dagen ziekenhuis met een klaplong, drie gebroken ribben en een gebroken schouderblad. Het wilde er bij mij gewoon niet in dat mij dit was overkomen, twee weken later liep ik met Marian aan mijn flank in de Tour de France rond alsof er niets gebeurd was. Met pijnstillers kun je een heel eind komen.
Ondertussen zag ik Robert tijdens de 8e etappe in de kantlijn van het beeldscherm van mijn TV een salto mortale maken. Ogenschijnlijk was er niets aan de hand, niets was echter minder waar. Misschien had hij beter een sleutelbeen gebroken: inpakken, wegwezen, uithuilen en opnieuw beginnen. Zoals Van den Broeck, Wiggins of Vino. Maar de Tour van Robert draaide uit op een martelgang, mediabeeldvorming en diverse (wieler)deskundigen bepaalden dat er ‘ogenschijnlijk niets aan de hand was’. Het zal voor Robert een ‘louterende Tour’ geweest zijn, goed voor de ontwikkeling van zijn mensenkennis. En een extra laagje eelt op zijn ziel.
De laag eelt die ik ondertussen op mijn ziel heb kwam goed van pas toen ik op 18 september in mijn ochtendjas om 7 uur ’s morgens de Telegraaf uit de bus haalde: ‘Schaatsers balen van benoeming De Rooij’ chocoladeletterde de krant van wakker Nederland bovenaan de voorpagina. Gelukkig een fatsoenlijk fotootje. Na het lezen van het artikel over mijn benoeming begin juli als manager ploegenachtervolging van het Team Holland kwam ik tot de conclusie dat het een mooi stukje plak- en knipwerk was, waarin ik mezelf en de feitelijke situatie niet herkende. Ik vaar immers mijn eigen koers, maak zorgvuldig mijn eigen afwegingen. Dat een aantal mensen op afstand daar iets over wil zeggen dat is voor hun rekening en raakt mij verder niet. Marian had meer moeite met de negatieve benadering.
Ondertussen won ik de dag voor het bewuste artikel met ons jonge bedrijf TDR Bikes en onze FluxX e-bike een Eurobike Award in de aanloop naar de belangrijkste fietsbeurs ter wereld: de Eurobike. Dat maakte het gemakkelijker om het Telegraafartikel te relativeren. Twee weken later won onze TDR FluxX tijdens de Eurobike zelfs een Gold Award als meest innovatieve elektrische fiets qua design, techniek en rijkwaliteiten. De lawine aan belangstelling voor TDR betekende tegelijkertijd dat het schaatsen eraan moest geloven: twee weken geleden heb ik mijn opdracht aan de KNSB teruggegeven.
Robert ligt in een Amersfoorts ziekenhuis te herstellen van een operatie aan zijn rechter dijbeen. Vanmorgen om negen uur sprak ik Daisy, die zich op weg naar Amersfoort spoedde. Met haar ging het verder uitstekend. Het gezegde luidt: ‘Achter elke succesvolle man staat een sterke vrouw’. Ik ben er ondertussen wel achter gekomen dat vooral de diepte van de breukvlakken de kwaliteit van je leven bepaalt. Een vrouw in je nabijheid die brokken bij elkaar kan vegen maakt het allemaal wel veel gemakkelijker.
HET OUDE WIELRENNEN, VOOR IEDEREEN!
Dit jaar ben ik vierenvijftig jaar oud geworden. En volgens diverse wielerkenners maak ik deel uit van de populatie ‘het oude wielrennen’. Deze groep is in de maand mei plotseling aanzienlijk uitgebreid na de invoering van de nieuwe regel van de Internationale Wielerunie die bepaalt dat geen enkel medicament of vitamine zonder medische indicatie aan een renner mag worden toegediend. Het herstel van de renner moet zonder deze spullen plaatsvinden en de artsen moeten de druk, die door de renners wordt uitgeoefend om alsnog injecteerbare middelen toe te dienen, weerstaan. Toediening van inspuitbare ´herstelmiddelen´ zou norm vervagend kunnen werken en sneller tot dopinggebruik kunnen leiden. Ook werd bekend dat deze regel tot stand is gekomen in samenwerking met de Internationale Roeifederatie. Deze regel degradeert alle generaties wielrenners naar het oude wielrennen. Want alle voormalige en actieve profwielrenners hebben tot mei 2011 bloot gestaan aan deze, blijkbaar vanaf dat moment in de ban gedane, behandelmethodes.
Wielrennen is een fysiologische uitputtingsslag. Vooral tijdens de grote rondes is de hersteltijd tussen de soms ongelofelijk zware bergetappes, verreden onder extreme weersomstandigheden, doorgaans veel te beperkt. Ga maar na. Een goed getraind menselijk lichaam heeft ongeveer 48 uur nodig om volledig te herstellen van een zware inspanning als een bergetappe. Tussen de finish van een etappe -stel 18h00- en de start van de volgende etappe –stel 10h00- zit echter vaak slechts 16 uur. En dan moet er vaak ook uren gereisd worden naar het hotel na de finish en de start de volgende dag. De herstelperiode moet dan ook optimaal benut worden, want de uitgeputte rennerslichamen komen 32 hersteluren tekort. De volgende dag immers wachten de fans langs de route en een nog zwaardere etappe.
In ´mijn tijd´ als profwielrenner van 1980 tot 1990 waren er geen of nauwelijks gekwalificeerde (sport)artsen die zich met dit aspect bezig hielden. Als renner was je overgeleverd aan de welgemeende zorgen van de zogenaamde soigneur die bepaalde wat goed voor je was en de herstelmiddelen adviseerde én administreerde. Dit was echter geen gezonde situatie, dit soort adviezen en handelingen moeten zijn voorbehouden aan gekwalificeerde personen. Zoals artsen en humane biologen.
Met het vorderen van de jaren werden steeds meer artsen opgeleid als sportarts en ingeschakeld bij wielerkoersen. Gericht wetenschappelijk onderzoek vond plaats naar optimalisatie van het herstel. En de aloude soigneur verdween steeds meer naar de achtergrond. De UCI verplichtte ploegen om rond belangrijke wedstrijden artsen in te schakelen. Een aanzienlijk kostenverhogende factor voor ploegen maar er was weinig weerstand tegen deze regel. Iedereen zag het belang ervan in.
Medici zijn ervoor opgeleid om mensen te ondersteunen in situaties die medisch handelen noodzakelijk maken. Zij hebben daarvoor zelfs een eed afgelegd, de eed van Hippocrates. De maatregel van de UCI zorgt ervoor dat de gemiddelde medische kit van een ploegarts voor 80% zal bestaan uit maag- en darmtabletten, hoofdpijnpoeders en pleisters. En de herstelmiddelen nemen de renners in de vorm van tientallen pillen, poeders en bruistabletten die in het gezelschap van duizenden calorieën en liters vocht binnen 16 uur door het maag- darmkanaal geperst moeten worden.
Op 17 juni 2010 deed Wesley Sneijder in een interview met Nu Sport volgende onthulling.
"Ik kan me de laatste jaren geen wedstrijd herinneren dat ik niet met pijn aan de aftrap stond. Lies, hamstring, heup. Noem het maar’’, zegt de international.
''Toch heb ik bijna alles gespeeld, alleen een lies- of hamstringblessure hield me aan de kant. Dat kan zo'n pijn doen dat je echt niet kan spelen. In mijn eerste jaar Real Madrid heb ik zelfs elke wedstrijd met een spuit gespeeld. Ik had last van mijn heup."
"Op de wedstrijddag kreeg ik een inspuiting, daarna kon ik twee dagen niet lopen. Pas na het EK van 2008 heb ik een aantal weken rust genomen en ging het over."
Bij Inter hanteert hij hetzelfde protocol. Bij pijn neemt hij een spuit. "Er liggen elke wedstrijd een paar spuiten naast elkaar voor spelers die iets mankeren en toch willen spelen. Ik heb geen grens gesteld. Een botkneuzing laat ik zeker verdoven. Als je dat niet wilt, moet je op ballet gaan."
"Je moet erop vertrouwen dat er geen stof in zit die misschien op de dopinglijst staat. Maar dat vertrouwen heb ik. De medische staf is super professioneel. En anders? Anders heb je vette pech. En een jaar vakantie."
Blijkbaar is voetballen gezonder en wordt daar op meer verantwoorde wijze medische begeleiding geboden dan in het wielrennen. Want de uitspraken van Wesley veroorzaakten geen enkele rimpeling in de vijver.
En blijkbaar hebben ‘ze’ bij het wielrennen meer verstand van roeien. Of is het andersom??
Robert Gesink site 21.06.2011
‘VANS’
De echte wielerfans vormen een bijzonder slag mensen dat deze aardkloot bevolkt. Iedereen die professioneel actief is in het metier en vanuit de sport naar buiten kan kijken, weet precies welke mensen ik bedoel. Ik kan diverse categorieën fans onderscheiden.
Zo zijn er de supporters die al sinds jaar en dag anoniem langs de diverse parcoursen staan. Sommigen beperken zich tot een bepaald land, anderen reizen met het circus mee. Een van deze fans stond in het peloton bekend als ‘Het Beest’. Vooral in de Belgische koersen maar ook tijdens de Tour stond deze opvallende, fors geschapen blondine van middelbare leeftijd vaak op een plek geposteerd waar je haar niet kon missen. In haar volle glorie stond zij daar op haar manier te pronken. Ik heb nooit iemand rond het peloton getroffen die iets meer kon vertellen over haar achtergrond.
Ook is er ooit een pro-actievere Franse dame geweest die zich in Frankrijk ophield in de buurt van de ravitailleringen en rond de ploeghotels. Ze had zelfs een bijnaam: La Nantaise. Naar verluid verleende zij gratis en voor niets ‘servicebeurten’ aan ploegbegeleiders in maisvelden en hotelkamers. Zij zou een boekje hebben bijgehouden waarin zij al haar veroveringen noteerde. Tijdens mijn laatste jaar ‘in het peloton’ wees een collega haar aan, ik had haar nog nooit gezien. Volgens mij had ze een stagiaire bij zich..
Anderen dossen zich uit als duivels of engelen, rennen voorzien van een drietand met de renners mee, dansen op een bestelbusje. Of fladderen verkleed als kip tijdens een bergetappe even naast hun favoriete renner. Deze praktijken worden gekopieerd door bijvoorbeeld in het oranje geklede Baskische nationalisten die bergop soms wel honderden meters schreeuwend met de renner proberen mee te rennen en in de huiskamers hun ‘moment of glory’ proberen te scoren. Dit is het meest irritante slag fans, je hoopt steeds weer dat er eens eentje op zijn platte bek valt, zonder gevolgen voor de koers.
De echte diehards zijn de mannen die etappekoers na etappekoers met hun tot simpele campers verbouwde busjes langs het parcours te vinden zijn. Mannen als de gezette Fransman Yves en de oude Belg Lucien. Yves was een lijvige zestiger, bouwvakker en al zijn spaargeld stak hij in zijn hobby: de Raboploeg volgen door Europa. Vriendelijk, behulpzaam en nooit opdringerig. Yves was ooit supporter van Frans Maassen en toen Frans stopte werd hij fan van de ploegen van Jan Raas. En dus in 1996 automatisch van de Raboploeg. Als Yves de nacht voor de Ronde van Piemonte zijn oude afgetrapte busje bij het hotel in het centrum van Turijn naast de voertuigen van de ploeg parkeerde, dan kon je er zeker van zijn dat geen enkele Italiaan ook maar in de buurt van het wagenpark kwam. De zware klauwhamer lag altijd binnen handbereik. In de bergetappes stond hij op vaste plaatsen om de Raborenners flesjes water aan te reiken. Tegenwoordig is hij nog steeds Rabofan en rijdt trots als een pauw rond een in volledig in de Rabokleuren gespoten, opgeknapt busje. Zijn busje op kleur brengen was van de laatste dingen die ik bij de Raboploeg voor hem heb kunnen regelen.
Lucien was een kwieke tachtiger die zijn hand er niet omheen draaide om in één dag dwars door Frankrijk te rijden. Ooit was hij fan van Claude Criquelion en zijn verschoten spandoek draagt nog steeds de sporen van de oude slogan. ‘Allez Criquelion’ is verbasterd naar ‘Allez Criqui? les lions, les Belges’. Bij leven en welzijn zal ook deze krasse grijsaard dit jaar weer langs de Tourparcoursen te bewonderen zijn.
Een zeer bijzonder slag fans zijn de podiumstalkers. Zij hebben als ambitie om met de winnaar van de koers in beeld te komen tijdens de TV interviews en om op de foto te komen tijdens de huldiging. De toegang tot de finishzone wordt doorgaans streng gereglementeerd en gecontroleerd. Desondanks slagen zij er in sommige gevallen al decennialang in om zich keer op keer in beeld te wurmen. Het lijkt erop dat zijn op den duur deel zijn gaan uitmaken van de inventaris.
In België zijn er twee mannen die er alle Belgische koersen in slagen in beeld te komen, zonder dat zij ook maar enige rol rond de koers vervullen. Ik heb mijzelf dan ook vaak afgevraagd wat die mannen bezielt en waar zij vandaan zouden kunnen komen. Enkele jaren geleden zocht ik als Rabomanager het Continental Team op tijdens een winter trainingsstage in een sporthotel in de Belgische grensstreek. Liep ik daar de twee bewuste mannen zomaar tegen het lijf! Het bleken de uitbaters van het sporthotel te zijn..
Onlangs kreeg ik een heel aardig boekje in mijn handen gedrukt over de eerste Tourstart ooit in Nederland: Amsterdam 1954. Wout Wagtmans won de eerste etappe Amsterdam-Brasschaat. Er was een mooie foto in het boekje geplaatst van de winnaar Wagtmans, omringd door diverse celebrities en een jonge man die ik tot mijn verbazing herkende als de Belg Alphonse Boon. Zwarte, strak naar achter gekamde haren, laag ingeplante, breed uitstaande oren, massief voorhoofd. Onmiskenbaar Boontje, zijn bijnaam. Tijdens mijn actieve wielercarrière, deels in Belgische dienst, had ik de man met een ietwat aristocratische uitstraling eens aangesproken. Hij bleek eigenaar te zijn van een aantal Mercedesgarages in het Brusselse en had ooit besloten dat er op zijn manier voor hem een hoofdrol zou zijn weggelegd in het wielrennen. Overal stond hij gesoigneerd aan de finish en hij ontbrak op vrijwel geen foto; vanaf begin jaren ’50 zo bleek nu. Alphonse zal ergens in de jaren ‘90 overleden zijn, een beetje wielerfoto archivaris kan zijn sterfdatum uitvogelen.
De laatste figuur die ik wil noemen is ‘Marc Visboer’ uit Diksmuide. Een olijke, wat onzekere, over zijn sappige Vlaamse woorden struikelende Belg. Ook hij wilde toetreden tot het rijk der onsterfelijke finishfotogeniën en hij was goed! Tientallen jaren lang kon je zijn verbaasde gezicht op winnaarsfoto’s vinden, de laatste tijd minder. Vorig jaar deed ik in Goes mee met de Pre Ride for the Roses. Tot mijn verbazing bespeurde ik Marc tussen de vele aanwezige toeschouwers en sprak hem aan. Hij werd emotioneel omdat ik hem herkende. Onmiddellijk werd ik voorgesteld aan zijn vrouw en twee kleindochters van tussen de vijf en tien jaar oud. Ze gingen een dagje uit met de kleinkinderen en hadden besloten om de Ride bij te wonen. Met veel plezier liet ik de hakkelende, Vlaamse woordenstroom over mij heen komen en dronk een frisdrankje met Marc en zijn familie.
Mensen als Marc en Yves met zijn busje maken deel uit van de wielerfamilie, zijn ván het wielrennen. Daarom noem ik ze ook ‘vans’.
Robert Gesink site 20.06.2011
COUPE SOLEIL
Enige tijd geleden kwam ik een Panasonic fotokaart tegen waarop ik als renner met mijn hoofd in close-up stond afgebeeld. Blijkbaar had ik in een vlaag van verstandverbijstering in de periode voorafgaand aan de fotosessie mijn haar op de bovenkant van mijn schedeldak laten blonderen. Het resultaat was een soort ´Wilders kapsel avant la lettre´ maar dan zonder wapperende manen aan de achterzijde van het hoofd. Het zou achteraf een kortstondig experiment blijken te zijn geweest, ik keerde al snel terug naar de oude vertrouwde coiffure.
Elke generatie renners heeft zo zijn eigenaardigheden. Ooit zal er een generatie coureurs hebben rondgereden met behaarde benen. Renners met zwaar behaarde benen komen allang niet meer voor in het peloton. Andere lichtingen renners reden rond met wapperende manen en maakten daar hun handelsmerk van. En wat te denken van renners met snorren? In mijn tijd waren de Belg Eric van Lancker en de Zwitser Urs Freuler de meest bekende snor dragende renners. Eric van Lancker werd eind jaren ´80 gecontracteerd door Peter Post en maakte enkele jaren deel uit van de Panasonic ploeg. Tijdens het eerste trainingskamp werd een zwaar besnorde Van Lancker door enkele renners te grazen genomen. De helft van zijn snor werd afgeschoren, de andere helft heeft hij in arren moede vervolgens zelf getrimd. We hebben nooit meer enige beharing onder zijn neus kunnen bespeuren. Bij de uiterst ijdele Urs Freuler probeerden een aantal renners hetzelfde maar zijn verzet was zo hevig dat er bijna gewonden vielen. Tot op de dag van vandaag zal hij ´s morgens met een kammetje voor de spiegel staan om de dag met strak gekamde snorharen te beginnen.
Thans zijn renners met tattoos, piercings en zelfs sikken en baarden allang geen bijzondere verschijningen meer in het peloton. Blijkbaar hebben diverse renners er de behoefte aan een statement te maken. Hard fietsen alleen is niet genoeg, de bijzaken worden belangrijk en moeten geëtaleerd worden.
Ricardo Riccó is bezig met zijn come back. Deze week werd bekend dat de Italiaanse wielerethicus/ploegleider Ivano Fanini van de Vaticaanse Amore e Vita ploeg zich geroepen voelde om de uitgespuwde Cobra een kans op een come back te geven. Eis nummer één luidde -naast een handvol andere eisen- dat Riccó afstand moest doen van zijn piercings, oorbellen en diamanten tand. Al snel werd bekend dat Riccó zou hebben getekend bij een marginaal Servisch ploegje. Hij zal zich daar uitstekend thuis voelen en zijn popnagels kan hij laten zitten. Veel zullen we hem voorlopig gelukkig niet in beeld zien rijden.
Robert Gesink site 14.04.2011
‘OUTSIDE THE BOX’
In mijn tijd, vroeger.. Slechts vier woorden. Ouder worden, nostalgie, tijden die nooit meer terug komen, de welhaast onmeetbare snelheid van nu tegen de stroperigheid van toen. Ongrijpbare terabytes tegen de schokkerig voortbewegende secondewijzer van het oude Lasita horloge van mijn vader.
Afgelopen maandag was Robert Gesink even in Holten om een tijd neer te zetten over de ruim 8 km. Holterberg tussen Nijverdal en Holten. Ook Daisy, de vriendin van Robert, was erbij om Robert met de auto af te zetten; hij zou na de tijdrit richting Aalten fietsen. Tijdens de Theo de Rooij Classic op 28 mei kunnen de fanatiekere toerfietsers zichzelf meten met de tijd van Robert. Met behulp van transponders en chipmatten bij start-finish wordt alles automatisch geregistreerd.
Na de tijdrit stonden we langs de weg nog wat na te praten met de aanwezige vertegenwoordigers van de Theo de Rooij Classic hoofdsponsor Rabobank en de media. Daisy vertelde mij dat Robert tot half april ongeveer twee weken thuis in Aalten was geweest. Zijn aanwezigheid in Holten was dan ook zeer bijzonder. Waarop een meeluisterende Raboman opmerkte dat ‘wielrennen toch wel een zwaar vak was, toen en nu, waar de rennersvrouw veel voor moest opofferen’. Ik realiseerde mij dat de tijd van het Lasitahorloge van mijn vader definitief verstreken was toen ik opmerkte dat ‘in mijn tijd’ de zaken toch wel iets anders lagen.
Daisy en Robert hebben een bijzondere relatie. Zij hebben een appartement in Spanje en Robert traint daar veel en vaak. Bovendien gaat Robert diverse malen per jaar op hoogtestage. Steunpilaar Daisy is nooit ver weg. Waar is de tijd gebleven waarin het adagium van de oude meester Peter Post zo ongeveer in elke rennersziel gebeiteld stond: ‘Vrouwen en cyclisme is vergif.’
Ik heb in mijn tijd weken en weken in de bergen getraind, we verbleven vaak in simpele onderkomens en bij tijden vloog ik tegen de muren van verveling en heimwee. Contact met thuis was vaak zeer lastig en peperduur: soms zat je met meerdere ploegen in een hotel dat vaak slechts over maximaal een handjevol telefoonlijnen beschikte. Een keer per twee-drie dagen bellen was zo ongeveer het ritme. Een TV op de kamer was een zeldzaamheid. De rennersvrouwen zaten ‘thuis bij de kinderen’, zoals het hoorde.
Hoe anders ziet het leven van een huidige toprenner als Robert er tegenwoordig uit. Hij haalt het absolute maximum uit zijn carrière, doet en laat er alles voor en is continu op de voet te volgen via alle social media. En hij organiseert dat op een manier die twintig, dertig jaar geleden niet voor te stellen was. Vriendin Daisy speelt daarin een uiterst belangrijke en aanwezige rol. Een heel andere dan de rol van de rennersvrouwen uit mijn jonge jaren.
Op mijn zolder staat een doos vol met brieven. Brieven die ik in 1990, het eerste jaar van mijn relatie met mijn vrouw Marian en tevens mijn laatste jaar als renner, aan haar heb geschreven vanaf vele wedstrijdlocaties. In de maanden april-juni reed ik achter elkaar in Amerika de Tour de Trump (10 dagen koers) en de Rondes van Italië (23 dagen) en Zwitserland (10 dagen). Zo’n twee maanden vrijwel onafgebroken koersen, tussen de rondes zaten steeds slechts enkele dagen. Ik schreef haar na de etappes gemiddeld twee keer per drie dagen een lange brief vanaf mijn hotelkamer. Iedere brief is in feite een column, een weblog ‘avant la lettre.’ Tijdens het vrijwel dagelijkse schrijven was Marian telkens ver weg maar toch ook altijd weer heel dichtbij.
Robert Gesink site 07.03.2011
Der Thomas
Tijdens mijn regelmatige fietstochtjes komt het vaak voor dat ik mijn geest laat ronddwalen in de annalen van het wielrennen. Zwerfafval in de berm deed mij plotseling terugdenken aan de Zwitserse wielrenner Thomas Wegmüller.
Thomas was een struise, bonkige hardrijder die in 1987 zijn entree in het professionele peloton maakte. Tot en met 1993 was hij een opmerkelijke verschijning in het peloton, die vooral opviel door zijn tactloze aanvallen. Een soort Zwitserse Fedor den Hertog. Vaak trok hij vanuit de start van de koers al ten strijde, als je hem 100 meter gaf dan was hij vaak voor de hele dag vertrokken. Zijn vierkante rug plat op de bovenbuis, benen gemodelleerd en pompend als Schoonebeekse jaknikkers. Hoofd wat scheef getrokken, gezicht in een grimas, onderkaak onder de bovenkaak getrokken en een iets te grote en trendy Bollé bril op zijn forse neus. Honderden kilometers heeft hij zo voor het peloton uitgereden en zo nu en dan pakte hij een mooie overwinning.
Ooit reed hij in 1989 met de Domex-Weinmann ploeg, onder leiding van Walter Godefroot, de Ronde van Zwitserland. Beat Breu -de Zwitserse kopman van die ploeg- droeg vóór de 9e etappe Bellinzona-Zermatt de gouden leiderstrui en hij zou de ronde later ook winnen. In de beginfase van de zware bergetappe ontstond er een grote kopgroep van een twintigtal renners, die al snel minuten voorsprong nam. Ook Thomas maakte deel uit van deze kopgroep en zou normaal gesproken de belangen van zijn ploegmaat moeten verdedigen.
Ploegleider Godefroot vertrouwde de situatie niet helemaal en begaf zich naar de kopgroep om poolshoogte te nemen. Tot zijn niet geringe verbazing zag hij Thomas volle bak op kop rijden! Woest stuurde Godefroot zijn ploegleiderswagen tot naast Thomas en maakte hem op niet mis te verstane wijze duidelijk dat hij onmiddellijk van kop af moest komen. Thomas schreeuwde Godefroot legendarisch én hilarisch toe: ‘Die Breu is een ‘Arschloch’! Die eikel had gewoon mee moeten springen, net als ik. Ik ga niet van kop af, hij zoekt het maar lekker zelf uit!!‘ Naar verluid is Godefroot er niet in geslaagd de drieste Thomas te temmen.
Thomas had nog een eigenaardigheid: hij was volgens mij de eerste renner die nooit een papiertje weggooide. Als hij tijdens de koers zijn taartjes uitpakte en oppeuzelde dan stak hij de verpakking zorgvuldig terug achter in zijn koerstrui. Alle andere renners in die tijd smeten de papiertjes, lege flesjes en overbodige bevoorrading zo ver mogelijk van zich af, Thomas reed in de finale van de wedstrijd rond met zijn zakken vol koersafval.
In 1988 verloor Thomas op een wel zeer schlemielige en (on)passende wijze Parijs-Roubaix. Natuurlijk was hij betrokken bij de eerste schermutselingen van de dag. En hij was in de finale nog steeds in de spits van de koers te vinden. Samen met de Belg Dirk De Mol reed hij naar de finish in Roubaix. Slag om slinger viel Thomas aan om de rappe De Mol kwijt te raken. In het zicht van de finish werd hij vleugellam geslagen door een stuk zwerfvuil. Een grote plastic zak in zijn achter derailleur belemmerde verder alle versnellingspogingen. Zijn haperende, over de tandkransjes wippende ketting smoorde zijn ambities. Een fietswissel zou zeker hebben betekend dat hij kansloos was. Wanhopig het achterwiel opwippend en soms hangend aan de ploegleiderswagen, waar een mecanicien met gevaar voor eigen vingers het plastic probeerde te verwijderen, restte hem niets anders dan aan het achterwiel van De Mol te blijven hangen. Kansloos werd hij in de sprint verslagen.
Ondertussen peddelde ik mijmerend voort. De bermen lagen vol met junkfoodverpakkingsmateriaal, dat na schooltijd door de toekomstige bloem onzer natie achteloos was weggesmeten. Thomas, ik mis je..
Robert Gesink site 07.03.2011
SPRING IS IN THE AIR
Het voorjaar is begonnen! Zo stelde ik zondag vast tijdens een ontspannen fietstochtje op mijn racefiets door de Achterhoek. Het landschap lag bij te komen van een bij vlagen heftige winter, de vinken werkten hun eentonige roffeltjes af en ik genoot van het frisse licht. Ik vrees dat het voorjaar nog wel een paar keer zal beginnen. Bijvoorbeeld rond Milaan-Sanremo of de Amstel Gold Race. Het kan nog genoeg spoken in maart en april.
Allerlei herinneringen borrelden op. Bijvoorbeeld die aan Eddy uit Valkenburg. Tijdens mijn profcarrière woonde ik in Limburg, waar ik van 1980 tot 1990 vele kilometers heb weggetrapt.
Rond peloton, ploegen en renners circuleren de fans. Sommigen gedragen zich als ware wielergroupies en zijn niet weg te slaan bij de renners. Doorgaans kunnen ze alles wat los en vast zit aan renners gebruiken en verzamelen alle mogelijke aan wielrennen gerelateerde zaken als truitjes, bidons, bevoorradingszakjes, noem maar op.
Limburgse Eddy was zo’n wielergroupie. Winkeltje in Valkenburg, was bij elke wielerkoers te vinden en stond natuurlijk altijd vooraan. Enigszins corpulent, iets té blond voor zijn leeftijd, priemende, blauwe oogjes en altijd wel om iets te bedelen dat hij kon gebruiken voor zijn wielersnuisterijenverzameling.
Ergens midden jaren ’80 ontlook het voorjaar en ik bereidde mij voor op de voor een Nederlandse renner belangrijkste voorjaarsklassieker: de Amstel Gold Race. Zo ook Eddy. Tijdens de winter had hij mij een oude Vespa scooter laten zien die hij voor een prikkie op de kop had getikt. Deze zou hij voor het voorjaar helemaal opknappen om er tijdens de grote wielerkoersen mee te gaan afsteken, zodat hij de renners vaak zou kunnen zien.
In de week voorafgaand aan de Amstel Gold Race kwam hij op een middag bij mij in Spaubeek even een bakkie doen. Hij had ’s morgens een mooie, dure lichtbruin lederen jekker gekocht, speciaal voor de Amstel Gold Race. Kostte wel 1600 gulden, dus een forse investering. Maar de weersvoorspellingen waren uitstekend dus het jekkertje zou hem uitmuntend staan. En het paste perfect bij zijn iets té blonde kapsel. Aan het scootertje legde hij de laatste hand, dat werd iets bijzonders.. Maar dat zou ik ’s zaterdags wel te zien krijgen.
Op een zonovergoten zaterdag in Heerlen, een half uur voor de start, reed ik nog een beetje los door de straatjes van het centrum. Natuurlijk stond plotseling Eddy voor mijn neus: jekkertje aan, haartjes in de plooi, strak gestreken pantalon, lekker geurtje opgespoten, scootertje aan de hand. Helemaal klaar voor het voorjaar. De Vespa was prachtig gerestaureerd en knal roze gespoten. Ik barstte nog net niet in lachen uit want ik weet dat Eddy zijn scootertje en zichzelf uiterst serieus nam. Tijdens het geneutraliseerde vertrek zag ik hem nogmaals staan blinken naast zijn vehikel.
Tijdens de koers had ik weinig oog voor Eddy en zijn tufje. Sterker nog, ook aan de finish zag ik hem niet. Geruime tijd na de finish liep ik vanaf de douches met mijn fiets naar de auto. Stond Eddy ineens voor mij. Moeizaam bewegend, handen in het verband, schaafwonden aan zijn onderkaak, lederen jekkertje vervangen door een fel blauw ski-jack. De pijn en het zelfmedelijden dropen van zijn gezicht. Aangeslagen vertelde hij mij zijn verhaal.
Na de start in Heerlen was hij met de Vespa vertrokken. In Hulsberg had hij het benzinetankje volgegooid en was de snelweg richting Maastricht opgereden. Het scootertje bolde bijzonder goed en met zon en wind in het gezicht liep de snelheid in een afdaling tot zijn verbazing steeds hoger op. Tot wel boven de 120 kilometer per uur, zo rap had hij nog niet eerder met het ding gereden! Ineens hoorde hij een harde klap en het achterwiel blokkeerde. Dit had tot gevolg dat hij onmiddellijk slipte en ten val kwam. Tot zijn grote verbijstering en afschuw schoof hij met de scooter tussen zijn benen met hoge snelheid meters ver over het asfalt en kwam uiteindelijk tot stilstand. Het mooie, lederen jekkertje voorkwam dat zijn armen en borstkas werden open geschuurd. Met veel moeite sleurde hij zichzelf en de vleugellamme, zwaar beschadigde scooter naar de vluchtstrook. Een aantal behulpzame automobilisten zorgden ervoor dat hij thuis kon komen.
De huisarts stelde vast dat hij er bijzonder goed vanaf gekomen was: naast schaafwonden en kneuzingen over zijn gehele lichaam mankeerde hij verder niets. De oorzaak van de schuiver was voor hem een compleet raadsel. Met de auto was hij toch maar even naar de finish in Maastricht gereden om mij op te zoeken.
Uiteindelijk werd enkele weken later duidelijk wat de fatale vastloper had veroorzaakt. De plaatselijke bromfietsreparateur stelde vast dat Eddy niet de juiste brandstof had getankt. Dergelijke scootertjes liepen op mengsmering, Eddy had in Hulsberg echter superbenzine getankt. En daar kon zijn roze wolk niet lang tegen. Na een kortstondig benzineorgasme had het ding de geest gegeven. Eddy’s voorjaar was ook begonnen..
Twentesport mei 2010
‘De Kortse Column’
VIRUSJE
Zittend achter mijn computer zie ik rechtsonder in het beeldscherm een rood Nortonvierkantje verschijnen: ‘scannen (…) heeft bedreigingen verholpen’. Ondertussen neem ik multitaskend de laatste wielernieuwtjes door. In de aanloop naar de Giro zijn er blijkbaar weer wat hardleerse renners die met hun poten in de verboden pillenpot hebben gezeten. Het geavanceerde biopaspoort heeft ze ontmaskerd. Tip aan de UCI: laat Norton het biopaspoort sponsoren. Regelmatig updaten en spam en virussen worden automatisch opgeruimd. Definitief!
NRC 26.07.2008
CHANGE WE CAN BELIEVE IN
Voor aanvang van de Tour nam ik mij voor in mijn column het onderwerp doping te vermijden, de doping laat de Tour helemaal niet los. Gedurende in totaal zestien jaar heb ik (mede) leiding gegeven aan professionele wielerploegen en diverse malen extreem turbulente tijden meegemaakt. De ‘Festina Tour’ van 1998 vormde een dramatische omslag in mijn wielerleven, paranoia, gebrek aan respect voor het individu en een genadeloze klopjacht kenmerken sindsdien de wielersport. De beelden van de recente dopinggevallen waarbij renners geboeid door de politie te midden van een woud van camera’s worden afgevoerd roepen gemengde gevoelens op. Enerzijds vraag ik mijzelf af of dit spierballengedrag van de Franse justitie nu echt noodzakelijk is, anderzijds moet ik vaststellen dat er blijkbaar nog altijd idioten zijn die denken onaantastbaar te zijn. Eigen schuld dikke bult derhalve?
Zestien jaren lang heb ik continu mede moeten bepalen hoe de ploegen waarvoor ik werkte zich moesten plaatsen in het peloton. Hoe moest ik verklaren dat het mogelijk was dat onze renners midden jaren ’90 volledig werden weggereden in de klassementen van de grote rondes? En moesten we als ploeg ook op zoek gaan naar de ‘steen der wijzen?’ Continu het afwegen van resultaat-risico, hoever gaan anderen in Godsnaam en hoever moest je eventueel daarin meegaan? Bepalende criteria zijn voor mij altijd geweest: de gezondheid, het welbevinden en de toekomst van de renner na zijn carrière. De renner bepaalde daarin zijn eigen weg, absoluut zonder druk vanuit ploeg of sponsor, in overeenstemming met de reglementen en wetten. Ik nam daarvoor een stuk verantwoordelijkheid, je kunt renners niet de jungle insturen en vervolgens de ogen sluiten. Resultaten prima, maar niet tegen elke prijs. Tijdens mijn carrière als renner en ploegleider was ik betrokken bij talloze grote overwinningen, mooie ploegen opgebouwd, honderden dopingcontroles en gezondheidscontroles, actief of passief. Eén positief geval is helaas de balans, Rory Sutherland 2005, op een banaal middel. Voor de zaak Rasmussen heb ik de volledige verantwoordelijkheid alsmede de gevolgen op mij genomen, hij was echter nooit positief, noch verdacht van concreet dopinggebruik.
Diverse renners van de generatie jaren ’90-2000 zijn nu actief als ploegleider-manager, zijn (zwaar) gestraft geweest, hebben ofwel de ‘vergrijpen’ opgebiecht, zijn vooralsnog met de schrik vrij gekomen of kozen voor een schone carrière. Ik stel vast dat er van de huidige generatie ploegleiders en -managers diverse mannen zijn die veel extremere keuzes hebben gemaakt tijdens hun carrière dan ikzelf. Tevens heb ik kunnen vaststellen dat exponenten die leiding geven aan het ‘nieuwe wielrennen’ niet allemaal zo vrijuit gaan als zou lijken. Hij die zonder zonde is…
De wielersport kiest ervoor zijn nek uit te steken: het aantal controles is enorm, de methodes vooruitstrevend, de renners moeten continu laten weten waar ze zich bevinden en de sport wil dat via de media uitschreeuwen. Bepaalde landen hebben doping opgenomen in het strafrecht. Bloedpaspoorten in combinatie met gerichte controles werken alvast prima. Enkele decennia geleden stond op een positieve controle 3 maanden voorwaardelijk, het nieuws haalde de kranten nauwelijks. Zal met het publiekelijk executeren van de laatste dopinggebruiker nadat de 10e generatie EPO plotseling opgespoord kan worden ook de wielersport sterven?
Werkelijke verandering vindt met name plaats indien alle leidinggevenden van wielerploegen elkaar serieus gaan nemen, ernaar handelen en niet langer de anderen voor idioten verslijten, keuzevrijheid zal immers -ondanks alle controles- altijd blijven bestaan.
NRC 17.07.2008
DE DERTIENDE DAG
In het bedrijfsleven is de dertiende maand een bekend begrip. In de ploegen waarvoor ik actief ben geweest heb ik het begrip ‘de dertiende dag’ ingevoerd. Ook daar was één keer per jaar sprake van, tijdens de Tour de France.
De Tour is een uitputtingsslag voor renners en begeleiding. Zo goed als er een homogene rennersselectie -met uitzicht op maximaal resultaat- dient te staan, geldt dit eveneens voor de zich elk jaar verder uitdijende begeleidingsteams. Een Tourequipe kan bestaan uit twee ploegleiders, vier verzorgers, vier mecaniciens, internetequipe, ploegmanager, arts, mediaman, chiropracticus, kok, buschauffeur en een ‘loopjongen’. Dit jaar zijn er bij Rabo zelfs matrassensjouwers actief. Vanzelfsprekend heers